|
Chanson pour l'Auvergnat (fragment)
Liedtekst van Georges Brassens (op plaat uitgebracht
in1954)
Elle est à toi, cette chanson,
Toi, l'étranger qui, sans façon,
D'un air malheureux m'as souri
Lorsque les gendarmes m'ont pris,
Toi qui n'as pas applaudi quand
Les croquantes et les croquants,
Tous les gens bien intentionnés,
Riaient de me voir amené…
Ce n'était rien qu'un peu de miel,
Mais il m'avait chauffé le corps,
Et dans mon âme il brûle encor'
A la manièr'd'un grand soleil.
(Dit lied is voor jou,
Jij vreemdeling, die, gewoon zomaar,
Met een ongelukkige blik naar mij glimlachte
Terwijl de politie me oppakte.
Jij die niet begon te juichen,
Terwijl botte boeren en boerinnen,
Alle mensen met hun goede fatsoen
Lachten omdat ik meegenomen werd.
Het was bijna niets, alleen een beetje honing,
Maar die honing heeft mijn lichaam verwarmd,
en in mijn ziel brandt ze nog steeds
Zij brandt daar als een grote zon.)
|
Het tandenloze wonder
door Fred Mühl
Ze is ongeveer een meter zeventig lang,
dik en met vervilte haren
Haar kleren zijn oud, versleten
en staan stijf van het vuil.
Al wat ze bezit neemt ze met zich mee:
drie plastic zakken, een slaapzak
en een fles wijn
Vanaf een paar meter afstand
komt haar slechte geur me tegemoet
en ik wordt door vrees overvallen
Ze kijkt me aan
Zeer direct
Haar ogen zijn leeg
En dan opeens opent ze haar tandeloze mond,
en lacht me toe
Haar lachen maakt iets zichtbaar
Het is een lachen dat begrijpt,
een lachen van menselijkheid
Heb dank, jij onbekende, en vergeef me
|
Station
door Fred Mühl
Overal is drukte,
een dakloze zit op de grond,
alleen hij heeft tijd
De jonge vrouw,
die gehaast naar de bus rent
De verslaafde,
die snel zijn heroine koopt,
en dan niets meer weet
De oude man,
die opgewonden naar een taxi zoekt
Het kind,
dat bij zijn moeder aandringt op een ijsje
En niemand bemerkt de dakloze,
ze zijn allen te gehaast
Hij neemt in alle rust een slok bier,
en kan om alle drukte om zich heen
alleen het hoofd schudden, en glimlachen
Deze man, hij vraagt aan mij:
Wie is hier nu armer, ik? of zij?
|
De gedroomde dakloze
door Bram Hermens
Op een hoek in de nacht
Van de benedenstad,
Wacht bij brandend gas
De straatmens op zijn shag.
Hij droomde dat hij de opstand der horden aanvoerde,
De horden die optrokken bij het morgenrood.
Sigaret in de mond,
En timmerend met een stok op de afwasbak,
Het bovenlijf ontbloot.
Peinzend staart nu de straatmens in de vette damp van eieren
en soep
Omgeven door rumoer van stemmen, honden, en kletterend bestek
Naar de TL die door nachtvlinders wordt omgord;
Hij verdwijnt later als de centrale verlichting uitgeschakeld
wordt
Loopt onder de albasten lens die aan de hemel verbleekt;
Oh mogelijkheid voordat het oog breekt
|
|